Klinische chemie: Hart- en vaatziekten

Inzicht in de laboratoriumuitslagen zijn voor zowel de ziekenhuisapotheker als de openbaar apotheker is van groot belang. Laboratoriumwaarden kunnen belangrijk zijn bij start van de farmacotherapie, bij de medicatiebewaking en voor het monitoren van de behandeling. Een gedegen kennis van de klinische chemie en het kunnen interpreteren van laboratoriumuitslagen is daarbij essentieel.

Hart- en vaatziekten en kanker zijn de twee belangrijkste doodsoorzaken in Nederland. Een kwart van de totale sterfte is het gevolg van hart en vaatziekten. Van de mensen die overlijden aan hart en vaatziekten overlijdt 26% ten gevolge van een hartinfarct en 12% door hartfalen. Beroerte en coronaire hartziekten staan op plaats 3 en 4 van afzonderlijke doodsoorzaken. De afgelopen tijd is veel vooruitgang geboekt in de preventie, diagnostiek en behandeling van hart en vaatziekten.

Een in het oog springend gevolg is de afname in mortaliteit ten gevolge van een hartinfarct. In de jaren 60 stierf meer dan 25% van de mensen na een hartinfarct, op dit moment is dat percentage gedaald tot onder de 10%. 

Het aantal patiënten met hartfalen stijgt snel. Dit komt doordat de overleving na een hartinfarct sterk is verbeterd en een hartinfarct in het verleden een risicofactor is voor het ontwikkelen van hartfalen. Daarnaast komt hartfalen veel voor bij ouderen en door de vergrijzing neemt het aantal ouderen toe.

Biomarkers bij de diagnostiek van het hartinfarct
Patiënten met een acuut coronair syndroom melden zich over het algemeen bij de huisarts of op de eerste hulp van het ziekenhuis met de typische klachten van pijn op de borst. Bij binnenkomst wordt direct een ECG gemaakt en wordt bloed afgenomen voor laboratoriumonderzoek. Is op het ECG een ST-segment elevatie of een andere afwijking typerend voor een hartinfarct te zien, dan wordt de diagnose hartinfarct gesteld. Is het ECG niet-diagnostisch, dan bepalen de uitslagen van de markers voor hartspierschade of de diagnose hartinfarct gesteld wordt. Bij ongeveer 30% van de patiënten met een hartinfarct is het ECG niet diagnostisch. Dan spelen de laboratoriummarkers voor hartspierschade een belangrijke rol bij de diagnostiek. In de meest recente richtlijn voor de diagnostiek van het hartinfarct, hebben de biomarkers een nog centralere rol gekregen.

Biomarkers bij de diagnostiek van hartfalen
Hartfalen is een complex van klachten en verschijnselen ten gevolge van een tekortschietende pompfunctie van het hart. De belangrijkste symptomen zijn moeheid, kortademigheid bij geringe inspanning en vochtophoping in de benen of de longen. De diagnose hartfalen wordt vaak gesteld op basis van klinische verschijnselen. Een eenvoudige test voor het snel vaststellen of wel uitsluiten, van hartfalen is dan ook gewenst. Met de komst van de test voor het meten van het B-type Natriuretische Peptide (BNP), lijkt er een laboratoriummarker voor de diagnostiek van hartfalen beschikbaar te zijn.

De afgifte van het hormoon BNP aan het bloed is recht evenredig met de (over)belasting van het hart. Afhankelijk van de gebruikte grenswaarde kan BNP gebruikt worden om hartfalen aan te tonen, dan wel uit te sluiten. BNP corrreleert met de ernst van hartfalen en momenteel wordt onderzocht of de BNP concentratie een goede marker is om het effect van de behandeling van hartfalen te monitoren en te sturen. Recent is hebben verschillende studies laten zien dat remmers van de afbraak van BNP een gunstig effect hebben op de mate van hartfalen.

Aan de hand van casuïstiek wordt een link gelegd met de dagelijkse praktijk.

Na afloop van de nascholing kunt u het geleerde meteen toepassen in uw eigen praktijk.

Deze cursus is ontwikkeld in samenwerking met dr. Albert Huisman, klinisch chemicus/apotheker.

Leerdoelen

Na afloop van deze curus kent u:

  • De fysiologische rol van lipiden en lipoproteïnen.
  • De rol van het lipidenmetabolisme en andere oorzaken bij het ontstaan van hart- en vaatziekten.
  • De rol van het laboratoriumonderzoek bij  hart- en vaatziekten (diagnostiek, risico inschatting en follow-up van behandeling).
  • De meest voorkomende oorzaken van primaire en secundaire hyperlipidemieën en de rol van het laboratoriumonderzoek bij deze aandoeningen.
Programma

12.30 uur    Ontvangst
13.00 uur    Inleiding
13.10 uur    Lipidenmetabolisme
14.40 uur    Pauze
14.50 uur    Laboratoriumdiagnostiek van het hartinfarct
16.00 uur    Nieuw markers voor de diagnostiek van hartfalen
17.00 uur     Afsluiting en evaluatie 

Gerelateerde cursussen

Klinische chemie: Hematologie en ontsteking

De nascholing Hematologie en ontsteking behandelt de functie van de verschillende bloedcellen en de diagnostiek van afwijkingen van het bloedbeeld. De docent gaat in op de (patho)fysiologie van hemostase en trombose.